Klaas Hendrikse schrijft een nieuw boek. God bestaat niet en Jezus is zijn zoon. Ik heb geen idee wat erin zal staan, maar ik houd mijn hart vast. Wat moet je schrijven over de zoon van iemand die niet bestaat?
Ik kan me niet voorstellen dat Hendrikse zal beweren dat ook Jezus niet bestaat. Vriend en vijand zijn het er over eens dat Jezus ooit heeft geleefd. Nee, ik vermoed dat mijn collega Klaas zal gaan zeggen dat we van Jezus iemand hebben gemaakt die mooier en groter is dan Hij in werkelijkheid was. Een goed mens, maar geen God!
Nu ben ik de eerste die erkennen zal dat er vragen rondom Jezus zijn, juist ook voor de aandachtige bijbellezer. In juli 2011 was het veertig jaar geleden dat ik als jongeman in Goudriaan, in de Alblasserwaard, voor het eerst in mijn leven voorging in een kerkdienst. Vanaf die dag heb ik het evangelie van Jezus Christus mogen verkondigen. Met vreugde en overtuiging. Toen ik bevestigd werd tot jeugdwerkpredikant, in 1972 in de Grote of Catharijnekerk te Heusden, koos ik als intredetekst Openbaring 7:17, ‘Het Lam zal hen weiden’. Hem als onze Heiland en Verlosser te verkondigen in eigentijdse taal is nog altijd mijn lust en mijn leven en ik hoop en bid dat dit zo zal blijven tot mijn laatste snik. Maar vanzelfsprekend is dat allerminst! Veeleer een wonder.
Als jongeman dacht ik dat dit niet al te moeilijk kon zijn. De catechismus wees de weg. Onze enige troost, in leven en sterven: dat ik niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Zaligmaker Jezus Christus ben, die voor mij volkomen heeft betaald. God zij geprezen!
Ten diepste geloof en beleef ik dit nog altijd zo. Theologisch ben ik wat dat betreft geen millimeter verschoven in die veertig jaar. Niet naar links, niet naar rechts. Ik ga nog steeds op de weg van die eerste zondag van de catechismus.
Toch kan ik moeilijk beweren dat er niets veranderd is. Ik heb er in de loop van die veertig jaren vragen bij gekregen. Vragen die in die catechismus niet of nauwelijks behandeld worden. Zal ik de belangrijkste vraag noemen? Die vraag is: waarom wist Jezus niet op welk moment Hij, de Zoon des mensen, wederkomen zou? Hij zei het zelf: alleen de Vader kent die dag. Dat uur was noch Hem noch de engelen bekend.
Ik begon mij gaandeweg steeds meer af te vragen hoe dat nu toch kon. Aannemend dat Jezus God was, begreep ik niet waarom God niet wist wat alleen God bleek te weten. Een soortgelijke vraag kwam bij me op telkens als het Goede Vrijdag was. ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Hoe kan God nu God verlaten?
Op al die vragen vond ik natuurlijk wel mooie theologische antwoorden, maar echt bevredigen konden die me niet. Daar kwam nog bij dat ik in mijn Amsterdamse jaren oog kreeg voor de zogenaamde termijnteksten. Jezus zei wel dat Hij niet wist wanneer de Zoon des mensen komen zou, maar tegelijkertijd zei Hij tegen zijn vrienden dat het op korte termijn zou gebeuren. Sommigen zouden de dood niet smaken voordat de Zoon des mensen kwam. Ze zouden op hun zendingsreizen nog niet alle steden van Israël aangedaan hebben. Nog tijdens hun generatie zou de Grote Dag aanbreken! Paulus en de andere apostelen spraken en schreven natuurlijk in diezelfde lijn. De Heer is nabij! Hij had het zelf gezegd: ‘Zie, Ik kom spoedig!’ Maar anno nu moet Hij nog altijd komen…
Eerlijk gezegd had ik soms, dwalend langs de Amsterdamse grachten in de jaren waarin in missionair predikant in Mokum was en zo goed als elke zondagavond voorging in de Engelse Kerk aan het Begijnhof, de neiging mijn toga aan de kapstok te hangen. Na afloop van menige dienst en op diverse bijbelkringen in een zaal aan de Nieuwezijds Voorburgwal stelden mensen van allerlei slag mij de meest indringende vragen over God en de Bijbel, terwijl ik zelf rondliep met huizenhoge vragen zoals de kwesties die ik hierboven noemde.
Denk niet dat ik op de kansel stond zonder zelf iets van het evangelie te geloven, want dat was gelukkig zeker niet het geval. Maar de vreugde van de verkondiging werd wel vaak overspoeld door een tsunami aan vragen die mijn ziel op de kop zetten. Hoe zat dat toch met Jezus?
Twee boeken schreef ik om enigszins orde op zaken te stellen, voor mijzelf en voor anderen. Want ik merkte wel dat de meeste mensen met wie ik over deze vragen sprak, er ook geen raad mee wisten.
Vraag nummer een bleek nog niet eens zo heel moeilijk, ontdekte ik. Jezus had zich gewoon ‘vergist’. Vergissen is menselijk en Jezus was niet alleen God maar ook mens. Bovendien, als Jezus God was, kon Hij berouw krijgen en terugkomen op zijn plan, want God kan nu eenmaal berouw krijgen, zoals bleek bij Jona in Nineve. Dus dat het Laatste Oordeel werd uitgesteld was niet onbegrijpelijk – God geeft de wereld nog een kans, al twintig eeuwen lang.
Iets in die geest heb ik opgeschreven in mijn boek Dat koninkrijk van U. Voor mij zitten er aan dit antwoord weliswaar nog een heleboel vragen, maar ik wil niet kritischer zijn dan nodig is, dus zeg ik uit de grond van mijn hart: met deze oplossing kan ik verder: Gods heeft geduld met ons!
Dat wil zeggen, dat zou het geval kunnen zijn, als Jezus niet ook had gezegd dat alleen de Vader weet wanneer die Grote Dag komen zal. Dat blijft vreemd: God (de Vader) weet iets wat God (Jezus) niet weet. Rara, hoe kan dat?
Daar komt nog iets bij. De evangelist Johannes zegt dat Christus, het Woord, bij God was en dat het Woord God was. Maar hoe moet ik mij dat voorstellen? Zo’n evangelist schrijft dat toch om je een heldere visie te geven? Maar wat ik voor me zie is volstrekt onbegrijpelijk. Jezus was bij God. Dat kan ik begrijpen, heel goed zelfs. Maar was Jezus dan zelf ook God? Zou Johannes echt willen zeggen dat God bij God was? Maar dat is toch net zo onbegrijpelijk als de gedachte dat God van God verlaten zou zijn? Ik ben dominee geweest in verschillende plaatsen, maar noch in Brabant, noch in Zuid-Holland, noch op de Veluwe, noch in het Amsterdamse heb ik dat aan iemand uit kunnen leggen, al heb ik het met hart en ziel zo’n jaar of dertig geprobeerd. Ik begreep het zelf eigenlijk ook niet.
Nu kan en wil ik best leven met de gedachte dat een mens niet alles kan weten en dat het evangelie ten diepste een geheimenis is, maar zolang ik het gevoel heb dat dit soort reacties doekjes voor het bloeden zijn, zoek ik verder.
Zo begon ik me af te vragen of mensen als Kuitert misschien toch niet gelijk hadden. Hij en anderen verkondigden steeds luider: Jezus is God niet. Jezus is een gewoon mens, die in de loop van de kerkgeschiedenis opgehemeld is en door mensen tot God is gemáákt. In de Bijbel zie je dat al, zo stellen zij. En Hendrikse is een fan van Kuitert…
Ik kwam in de verleiding om in deze vrijzinnige trant te denken en mee te gaan met wat zo langzamerhand half Holland denkt: Jezus is niet meer dan een bijzonder goed mens die alleen in de ogen van sommige volgelingen God zelf is. Logisch dat Hij niet alles wist! Men heeft gewoon van Jezus God gemáákt! Zo ontstond in de vierde eeuw de geloofsbelijdenis van Nicea, die stelt dat Jezus God uit God is, waarachtig God uit waarachtig God.
Ik geef toe: heel indrukwekkend, heel poëtisch, maar geen helpend medicijn voor wie rondloopt met de vraag waarom de Vader iets wist wat de Zoon niet bleek te weten. Trouwens, hoe kan een zoon nu gelijk zijn aan zijn vader? Dat kan toch per definitie niet? Een zoon is toch juist een zoon omdat hij niet zijn vader is? Ze mogen sprekend op elkaar lijken, de een mag voor de ander het woord doen, ze mogen één zijn in hun manier van denken en praten, maar ze blijven twee verschillende personen. En dan niet binnen één ‘wezen’, maar gewoon, naast en los van elkaar.
Natuurlijk las ik ook andere boeken. Bijvoorbeeld boeken van Kuiterts tegenspeler Van de Beek, die stelt dat je geen christen bent als je niet gelooft dat Jezus God is. Heel deftig spreken we dan van een verschil tussen lage en hoge christologie. Laag: Jezus is mens, hooguit vol van de Geest en pas later beschouwd als God. Hoog: Jezus is God, God uit God, tweede persoon van het ene goddelijk Wezen, waarachtig God, dus geheel in de lijn van de geloofsbelijdenis van Nicea.
Op een dag, zoekend naar een antwoord op mijn vragen, stuitte ik op enkele kanttekeningen in de oude Statenvertaling. Op enkele plaatsen in het Oude Testament is sprake van ‘de Engel des Heren’. Telkens als die Engel des Heren sprekend wordt ingevoerd, blijkt hij dingen te zeggen die even later ongeveer zo of zelfs precies zo ook door de Eeuwige worden gezegd. Nu zeggen de oude, rechtzinnige theologen die in de 17e eeuw die kanttekeningen maakten bij de Statenvertaling, dat die Engel des Heren Christus is. Zij zeggen er overigens bij (maar dat gaat mij te ver) dat die Engel des Heren gelijk is aan de Eeuwige. Bij verschillende plaatsen in de Bijbel maken ze deze opmerking, heel frappant. Waarom frappant? Omdat in Maleachi 3:1 de komende messias ‘de Engel van het verbond’ wordt genoemd. Kortom, die orthodoxe kanttekenaren zuigen niet iets uit hun duim, maar slaan de spijker op de kop. Ik bedoel: de messias blijkt in de Bijbel als Engel aangeduid te worden.
Ik begon me af te vragen of hier niet een antwoord was te vinden op vragen die ik nog steeds over Jezus had. Was Hij niet een engel, die soms precies zei wat God sprak, maar soms toch net iets anders? Dat zou veel kunnen verklaren, dacht ik…
Al gauw ontdekte ik dat je niet kunt zeggen dat Jezus zomaar een engel is. In de vroege kerkgeschiedenis heeft ene Arius dat beweerd en tot op heden staat hij als ketter te boek. Ik wil die kant niet op. Waarom niet? Omdat in de brief aan de Kolossenzen staat dat in Christus de wereld is geschapen, alles (!) in de hemel en op de aarde. Sterker nog: alles is door Hem en voor Hem geschapen. Je krijgt haast de indruk dat Hij de Schepper is. Maar dat lijkt maar zo; de Eeuwige heeft Hem, het Woord, gebruikt als middel bij de schepping. Christus, Woord en Licht, was het middel in Gods hand om van de aarde iets moois te maken. Je zou kunnen zeggen: als Woord en Licht ging Christus door de chaos die de aarde was en maakte er op Gods bevel iets moois van. ‘Alles door Hem geschapen’.
Al met al betekent dit dan ook dat Christus de engelen schiep. Dus kan Hij onmogelijk zelf een geschapen engel zijn. Trouwens, engel betekent ‘boodschapper’. Dat zegt eigenlijk nog niets over de persoon die zo’n boodschapper is. Iedereen, van hoog tot laag, kan een boodschapper zijn.
Nee, ik geloof niet dat Jezus een gewone engel is. Hij is – en nu zit ik dus in de lijn van de brief aan de Kolossenzen – de Engel die de engelen heeft geschapen! In mijn tweede boek, Engel naast God, heb ik dat willen zeggen. En waarom? Omdat ik van die vrijzinnige verhalen niets geloof. En mocht Klaas Hendrikse nu gaan beweren dat Jezus net als Klaas ook niet geloofde dat God bestond, dan kan hij beter de hele Bijbel in de prullenbak stoppen. Als er één geloofde dat God bestond, dan Jezus wel. Ja, als ik de Bijbel aan de kant leg, kan ik anders theologiseren. Maar dat wil ik niet. We hebben de Bijbel als een kostbaar geschenk van de Geest aanvaard. Zolang je lid bent van de kerk, dien je die Bijbel dan ook dankbaar als lees- en leefregel te hanteren. Niet omdat het moet, maar omdat het een verrukkelijk verhaal van Gods liefde is.
Terug naar Jezus. Geen gewone engel. Wel een Bode van de Allerhoogste. De Bijbel noemt Hem ook wel profeet, wat ongeveer hetzelfde is.
De Bijbel heeft vele namen voor Jezus. De Bijbel noemt Hem ook Zoon des mensen en hogepriester en lam en koning en meester en knecht en zo zou ik nog wel even door kunnen gaan. De Bijbel – en nu komt wat ik ten diepste zeggen wil – noemt Hem ook wel god. Althans, in sommige vertalingen, die berusten op bepaalde handschriften, is dat op enkele plaatsen duidelijk het geval. Geen wonder: Israël geloofde dat de koning naar Gods hart een god was. Als bijvoorbeeld in Psalm 45 de messiaanse koning wordt geschilderd, wordt hij als god aangesproken. Daar bedoelde Israël niet mee te zeggen dat die gezalfde vorst de Eeuwige zelf zou zijn. De Eeuwige zalft niet zichzelf. In dat geval zou Hij ook nooit Knecht des Heren zijn genoemd. Nee, Israël was wat dat betreft niet geheel anders dan de andere volken. Men noemde – zij het in Israël zeer terughoudend – allerlei hemelwezens goden. Vandaar dat de Eeuwige wel de God der goden wordt genoemd. Hij bestuurt de raad der goden, zo kun je in meer dan een psalm lezen. In zijn boek Wie is Jezus Christus? (Kampen 2010:96) zegt Eginhard Meijering dan ook: ‘In het latere jodendom sprak men wel over een lagere God, die de hoogste God openbaart. De wortel hiervan is al in het Oude Testament te vinden, waar in sommige verhalen waarin God onder de mensen verschijnt ook wel wordt gezegd dat de Engel van God verschijnt. Daarop zijn joden blijven doordenken. Het is niet waar dat het jodendom ten tijde van Jezus strikt monotheïstisch was, dus maar in één God wilde geloven. In de gemeenschap van Qumran schijnt de verwachting te hebben geleefd dat de door God zelf aangestelde Rechter, ook wel de Zoon van de Allerhoogste genoemd, op het einde der tijden het oordeel over de mensen zal uitspreken. Dit lijkt niet ver af te staan van christelijke voorstellingen omtrent Jezus.’
In feite knoop ik in mijn visie aan bij deze gedachte. Ik had niet verwacht dat mijn boek Engel naast God zo veel belangstelling ook van doorgewinterde theologen zou krijgen, anders had ik het een en ander meer uitgewerkt en onderbouwd. Ik dacht een eenvoudige bijbelstudie te schrijven…
Ten diepste probeer ik een weg te vinden tussen die van Kuitert en Van de Beek in. Als ik spontaan moest kiezen, koos ik direct voor de laatste. Maar ik wil mijn eigen weg gaan en doe dat ook. Kuitert kun je alleen volgen als je de Bijbel loslaat en dat kan en wil ik niet. Van de Beek kun je alleen volgen als je bepaalde bijbelteksten dik onderstreept en met een bril uit Nicea bekijkt én als je (allicht ongewild) bereid bent het Israël nog moeilijker te maken dan het toch al is om in Jezus de messias te zien. Voor Israël is immers de gedachte dat de messias de Eeuwige zelf zou zijn, onacceptabel. Wie of wat de messias ook moge zijn, de Eeuwige zelf is de messias niet. Hoe zou dat kunnen? De messias zal door de Eeuwige worden gezónden als de koning der joden. Ik denk dat deze zienswijze van Israël juist is.
En laat nu juist die gedachte overheersend zijn ook in ‘onze’ Bijbel! Nergens lees ik dat God zelf tot ons kwam. Nergens. Altijd weer lees ik dat God zijn Zoon zond. Wie Hij was? Hij lag als een kind in de schoot van zijn Vader, zegt Johannes. Hij was bij God. En dan voegt Johannes eraan toe: Hij was God. Het Woord was God!
Maar – daar heb je die vraag weer! – hoe kan iemand nu bij X zijn en zelf X zijn? Mijn antwoord is: dat kan alleen als die X een titel is en geen naam. En dat is hier het geval! God is geen naam, maar een titel. God betekent zoiets als hemelse hoogheid. Dé hemelse Hoogheid is de Ene wiens naam de Eeuwige is, Ik ben die Ik ben. Maar Jezus was ook een hemelse hoogheid! Lees maar in Daniël 7! Daar wordt God geschilderd als een oude wijze. Voor Hem wordt iemand geleid die met de wolken komt en eruitziet als een mens. De Zoon des mensen! Christus is van hemelse komaf. Ook Hij is een goddelijke hoogheid. ‘Mijn Heer en mijn God!’ Maar Hij is de Eeuwige niet. De jonge is de oude niet. De Zoon des mensen is niet de God der goden. Hij was bij God en is zelf ook een goddelijk wezen.
Deze Zoon des mensen nu is aangewezen door de Eeuwige, ‘verwekt’ (figuurlijk bedoeld: aangesteld), gezalfd om koning, priester en profeet (bode, engel) te zijn. Niet voor eeuwig trouwens. Want ooit, als alles is voltooid, zal Hij het koningschap weer overdragen aan de Eeuwige, zodat God zal zijn alles in allen, de Ene.
Ik ben bang dat iets dergelijks niet in dat nieuwe boek van Hendrikse zal staan. De Jezus van Klaas Hendrikse is, vrees ik, hooguit een Jan Klaassen, ‘een dommig persoon met een gouden hart’. Dat Jezus een gouden hart had, vinden we allemaal. Maar dat Jezus geloofde dat God echt bestond, zal Klaas Hendrikse wel ‘dommig’ vinden. Hooguit een respectabele gewoonte uit lang vervlogen tijden.
Ik denk daar anders over. Totaal anders. Dat gouden hart had Christus te danken aan de Geest van zijn Vader, van wie Hij hartstochtelijk en volkomen terecht geloofde dat Hij bestond. Christus wist dat niet door geloof maar dankzij persoonlijke ervaring. Toegegeven: dat kan ik niet bewijzen. Dat geloof ik. Met mijn hand op de Bijbel. Christus was zelf van goddelijke komaf, lid van de goddelijke familie. Familie? Ja, in Psalm 82 lees ik dat de Eeuwige de een en de ander zonen van de Allerhoogste noemt, goden zelfs. In Johannes 10 herinnert Jezus daar de joodse leiders aan, als ze kritiek op Hem hebben.
Ik denk dat Johannes al in hoofdstuk 1 daarop zinspeelt als Hij zegt dat Christus bij God was en zelf ook God was. De Zoon van God was ook God! Niet zo God als zijn Vader, maar toch! Het is tegelijkertijd waar: ‘Ik en de Vader zijn één.’ En: ‘De Vader is meer dan Ik.’ Ik denk dat Johannes daarom dan ook – anders dan de andere evangelisten – zijn evangelieboek afsluit met de vermelding van het feit dat Jezus zijn Vader mijn God noemt, terwijl op zijn beurt Tomas Jezus God noemt. Tomas roept uit: ‘Mijn Heer en mijn God!’ Jezus heeft zijn God, dé God, de God der goden. Maar wat Tomas betreft mag Jezus diezelfde titel dragen. God heeft Hem verwekt, opgewekt. Hij blijkt geen mens, Hij blijkt (nee, niet de enige, waarachtige God, maar wel) een levende god te zijn, dé unieke Zoon van God! In Hem is als het ware de Eeuwige zelf naar ons toegekomen!
Jezus is niet de Vader. Daarom wist Hij ook niet alles wat zijn Vader wist. Het uur van zijn wederkomst, bijvoorbeeld. Een zoon is nu eenmaal zijn vader niet. Je moet een helder onderscheid maken. Niet voor niets zegt Jezus zelf (en wie zou het beter weten?): ‘Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die U gezonden hebt’ (Johannes 17:3). Let wel: God én Jezus. Woorden om over na te denken…
Jezus is Gods Geliefde, zijn Kroonprins, zijn Zoon, de Engel van zijn verbond, Profeet, Priester en Koning. Daarom aanbidden wij – zonder enige noodzaak te spreken over drie personen in één goddelijk Wezen – met volle overtuiging Vader, Zoon en heilige Geest. In de drie-enige naam zijn wij gedoopt! Lof zij de Vader en de Zoon en de heilige Geest, nu en in de eeuwen der eeuwen.
Heusden aan de Maas, zomer 2011
—
Wilt u reageren op dit artikel? Mail uw reactie naar de auteur, André Troost. U krijgt van hem een persoonlijke reactie. U kunt mailen naar a.f.troost@wanadoo.nl.
